Archieven: Eigenaars

<p>Beschrijving</p>
1756 Afbraak aparte woning staande in achtererf
1762 Dirk Jans Corvinus, mr schoenmaker
1742 Verbouw stal tot werkplaats en opslagschuur
1739 Jan Dirks Corvinius mr schoenmaker en Ymkje Gerlofs, echtelieden tot Franeker, kopen op 02-10-1739 een huis en aparte woning met al het gene wat daar aan aard, muur, band, spijker en nagelvast is, staande en gelegen in het nieuwe hof, bij Jan Dirks hovenier als huurder bewoond en in gebruik tot 12 mei 1740, belast met het onderhoud van straat, wallen, bruggen en lantarengeld, aldus in koop bekomen van Epeus Wielinga, mede raad ordinaris in het hof van Friesland te Leeuwarden als gelastigde van zijn moeder vrouwe Dieuwke Westerhuis weduwe van de heer postmeester Johannes Wielinga voor de somma van 110 gg en 21 stuivers te batalen in baar geld en klinkende munten in twee gelijke termijnen op 12 november 1739 en 12 mei 1740. De kosten van de verkoping zijnde het proclameren, protocolleren, stuivergelden, drukken, aanplakken, de zegels op de biljetten, trommelslagen, verteringen, het schrijven van de koopbrief en armengeld, 5 cg, zijn voor de verkoper
1737 Dieuwke Westerhuis weduwe van Johannes Wielinga
1731 tot 1733 geen bewoners
1731 Titia Bogarde weduwe van Suffridus Westerhuis
1730 Suffrides Westerhuis, burgemeester en gecommiteerde voor Friesland in de generaliteitsrekenkamer te gravenhage
1728 Geen bewoners
1725 Heere Nannes, koopman en Japke Minks
1722 Leeg na stormschade
1705 Bartholdus Blijdenstein chirurgus en oud secretaris van de universiteit en Geertruida Apijn echtelieden tot Franeker kopen op 12-02-1705 een schoon en deftig huis bestaande uit twee boven en benedenkamers, keuken en hof, staande en gelegen binnen Franeker in het nieuwe hof alwaar het smidse aambeeld in de gevel staat, de goederen als ledikant, haardijzers, borden en verder alles wat in het huis wordt gebruikt zal in de koop versmelten, aldus in koop bekomen van de gezamelijk erfgenamen van Antje Douwes weduwe van wijlen de koopman Jan Folkerts tot Harlingen voor de somma van 340 gg te betalen in baar geld en klinkende munten in drie gelijke termijnen op den 1sten mei 1705 en 1706 en 1707.