1907 Antonius Koster, gardenier en koopman koopt op 16-09-1907 een herberg het posthuis genaamd voor fl. 3051,- van Willem Frederik Fijnebuik te Zwolle en Everdina Fijnebuik vrouw van Fernand Eugene Celestin Doucet wonende te München-Gladbach
Archieven: Eigenaars
1905 Willem Frederik Fijnebuik, minderjarige zoon van Antoine Albertus Fijnebuik.
1890 Geertruida van Limburg, weduwe van Antoinie Fijnebuik en Everdina Fijnebuik vrouw van Fernand Eugene Celestin Doucet wonende te München-Gladbach is op 10-o4-1890 eigenaar.
1889 Renovatie in en extern alsmede verbouw van voorgevel
1889 Antoinie Albertus Fijnebuik, koopman en boekhandelaar te Zwolle word op 29-07-1889 eigenaar omdat Hendrik zijn schuld van 4800,- niet kan betalen en Antoinie borg stond voor de doopsgezinde gemeente. Fijnebuik was wel verplicht om naar Franeker te verhuizen. Hij was getrouwd met de zuster van Hendrik.
1888 Hendrik Hendrikus van Limburg, timmerman te Zwolle koopt op 20-02-1888 een herberg het posthuis genaamd voor fl. 7700,- van Anthonius Kingma. Hendrik leende 4800,- van Antoinie Albertus Fijnebuik koopman te Zwolle en de rest van de Doopsgezinde gemeente te Franeker.
1880 Verbouw, uitbreiding van aanbouw op achtererf d.m.v. nieuwbouw en renovatie voorgevel
1877 Anthonius Kingma, koopman.
1873 Minne Lammert Hofstra koopt op 21-04-1873 een achterhuis staande in de schoolsteege behorende bij herberg het posthuis van Johannes Elias Goetzee voor fl. 628,-
1873 Johannes Elias Goetzee koopt op 10-03-1873 een achterhuis staande in de schoolsteeg en behorende bij EO 53 voor fl. 628,- van de rooms katholieke armvoogden. Johannes zag meer in een herberg dan in een zeilmakerij en kreeg in 1873 de kans om zich volledig in het casteleinsvak te storten. En dat heeft de stad geweten. Was het al regelmatig rumoerig in de tijd van Ferwerda omdat achter de herberg in de schoolsteeg een gelegenheid was voor dames van plezier, ten tijde van Johannes liep het helemaal uit de hand. Hij moest zich nu aan de stadsregels houden en dat was blijkbaar voor hem een te moeilijke opdracht. Nada hij drie keer een tapverbod kreeg omdat hij de accijns niet betaalde en letterlijk water bij de brandewijn deed, dreigde er uitzetting en gevangenisstraf. Daarbij kwam ook nog een conflikt met een Harlinger hoerenmadam Marije K. omdat hij drie meiden uit het bordeel “de drie stuivers” had overgehaald om voor hem in Franeker te werken. Johannes had de dienstmeid Pietje Dubois aangesteld als toezichthoudster. De klachten over Johannes en zijn onderneming namen toe en politiedienaar Johannes Jorissen moest regelmatig op inspectie en rapporteerde de overtredingen die dan weer geldelijke boetes opleverde. Vreemd genoeg schreef hij nimmer over de activiteiten in de schoolsteeg, alleen over de zaken in de herberg. Maar op 3 april 1877 ging het goed mis. Albert van der Veen, stalknecht bij logement “De Valck” zorgde des nachts om ruim na twee uren voor een kwalijken volksoploop in den schoolsteege daar waar de herberg van Goetzee uithangt. In het proces verbaal wordt beschreven dat den zwak van hersenen en geest zijnde Albert van der Veen den stalknecht van Eugenius Leobartus de Boer logementhouder in den Valke alhier geheel ontdaan van enige kleeding en zich maniakaal in den steege ophield alwaar Albert van der Veen door eene suspecte vrouwspersoon met den bezemstok werd belet om zich weer in het huis te begeven.Het geschreeuw van Albert trok veel belangstelling en er ontstond een volksoploop waardoor agent Jorissen zich gedwongen voelde om de dwazenoppasser in het gesticht, Tjeerd Brandsma en Sibrandus Lieuwma, ter assistentie te vragen. Uiteindelijk werd Albert naar het gesticht gebracht waar hij na een week werd ontslagen en op 22 mei vertrok hij naar Harlingen waar hij een baan vond in een van de publieke huizen. In 1877 had Harlingen 461 geregistreerde prostituees waarvan 326 in publieke huizen.De werkgever van Albert, Egenius de Boer deed aangifte van diefstal en mishandeling. Er hing Johannes, Grietje en Pietje een flinke straf boven het hoofd. En daar hadden ze geen zin in. In de nachtvan 8 op 9 april verlieten de drie stilletjes de herberg met achterlaten van hun 5 kinderen in de leeftijd van drie tot zeventien jaar. Deze daad veroorzaakte opnieuw een flinke opschudding. Ondanks briefwisseling op hoog ambtelijk niveau kwam men pas 15 maanden later achter de verblijfplaats van de drie. Ze bevonden zich in Boston in noord amerika. De vijf kinderen werden opgenomen in het gezin van bakker Hendrik Zuiderbaan.
1873 Yde Durk Ferwerda verkoop op 12-05-1873 het logement voor fl. 5000.- aan Johannes Elias Goetzee
1872 Yde Dirks Ferwerda, logementhouder koopt op 06-01-1872 het logement “Het posthuis” voor fl. 4325,- van Coenraad Kuurstra